Dromenjager

Voor mij aan tafel zit een man met reebruine ogen en een woeste baard. Die ogen heeft hij van zijn moeder (de baard gelukkig niet…) bedenk ik, terwijl ik hem ongemerkt observeer. Met een zelden geziene precisie belegt hij zijn boterham tot die eruitziet als een smakelijk kunstwerkje, dat hij even goedkeurend bekijkt om er vervolgens vastberaden een flinke hap van te nemen. Zevenentwintig jaar is hij deze week geworden, stel ik verwonderd vast terwijl ik mijn jas aantrek en naar buiten stap om nog wat te genieten van de allereerste prille lentedag van het jaar. In de dagen rond zijn geboorte was er helemaal geen sprake van lente of kriebels daaromtrent maar hadden we zelfs te kampen met een ferme winterprik, gekruid met sneeuw en ijs, herinner ik mij nog heel goed. ‘Proficiat meneer, u hebt een flinke zoon!’, zei de verpleegster me terwijl ze het hummeltje in mijn armen duwde. Meteen sperde het ventje zijn bruine ogen heel wijd open en begon als een bezetene te krijsen, niet van schrik maar van pure honger, bleek achteraf… Het was werkelijk een genot om dat manneke te zien opgroeien. Zijn hoofdje stond werkelijk nooit stil, hij wilde alles zien en vooral ook alles weten! Drie jaar heeft het geduurd voor we met zekerheid doorhadden dat er iets ernstigs mis was met zijn gehoor en hij uiteindelijk gedoemd was om levenslang hoorapparaatjes te dragen. Blijkbaar het gevolg van een nogal verkeerde samensmelting tussen de chromosomen van zijn moeder en die van mij… Maar ook dat werd een gewoonte en was totaal geen belemmering voor hem om op te groeien tot een stevige jongeman met een eigen wil en vooral een eigen visie die hij, volgens zijn moeder althans, dan weer uitsluitend van mij geërfd had… Dat hij niet in de sporen van zijn vader zou treden en het grootste deel van zijn leven bij nachte in de bakkerij zou slijten, was al gauw duidelijk. Eerlijk is eerlijk, bij het antwoord op de vraag wat hij dan wel wou doen, had ik bijzonder veel vragen… Meneer wou en zou namelijk ‘kunstenaar’ worden, was van jongs af aan werkelijk geobsedeerd door ‘kleuren’ en wat je daar allemaal mee kan doen. Een wondere wereld, dat wel, maar ‘kleuren’ kan je niet eten, nietwaar? Na eindeloze discussies, met zijn radeloze moeder vooral, gunden we hem het voordeel van de twijfel. Een kans die hij met beide handen stevig vast greep en tevens een keuze waar hij met heel zijn hart achter stond. Argwanend bekeken wij vanop een veilige afstand hoe hij, onder onze vleugels weliswaar, zijn eigen weg zocht en zijn ‘eigen stijl’ creëerde. En toen we zagen hoe hij stokoude, lang vergeten meubeltjes van het stort redde en op zijn manier een eigen leven gaf, groeide voor het eerst iets als oprechte bewondering, verwondering ook… Misschien, wie weet, lukt het hem toch om van zijn droom te kunnen leven? Maar toen kwam Corona en viel alles stil… Voor een kunstenaar betekent dat : geen tentoonstellingen meer, geen opendeurdagen, geen enkele mogelijkheid om met je werk naar buiten te komen en vooral te moeten vaststellen dat je net als van de liefde, ook van dromen niet kan leven…Ik stap weer naar binnen. Meteen komt mijn zoon naar me toe, stopt me een potloodschets van de Zarrense jongensschool uit vroegere tijden in de handen en kijkt me vol verwachting aan… Hij glundert nog net niet omdat hij sowieso weet dat ik het prachtig vind maar dat vooral van mij wil horen… ‘Volg je dromen maar…’, wil ik hem zo graag zeggen,’…en ga ervoor!’ maar de woorden komen er niet uit. Ik weet dat ik voorzichtig moet zijn met grote uitspraken in deze bizarre tijden… Maar misschien brengt de lente wel nieuwe hoop denk ik, zelf een fulltime dromer, en…hoop doet leven!

17/02/2021

About the author